Met een super strak weekschema kan Robin Versantvoort op zijn compacte en efficiënte zeugenbedrijf in Diessen de bezetting hoog houden. Hij heeft stabiele productiegegevens en een hoog afbigpercentage. Looplijnen zijn voor hem heilig.
Het bedrijf van de 57-jarige Robin Versantvoort ligt in een extensiveringsgebied en tegen het dorp aan. Er is geen ontwikkeling meer mogelijk. “Dat was ook de reden dat ik indertijd deze boerderij heb kunnen kopen”, vertelt Robin. “Ik kom niet van een boerderij, dus je bent blij dát je iets kunt kopen.” In 1989 kocht hij, 21 jaar oud, met hulp van zijn ouders een bestaande varkenshouderij met 100 zeugen. Na twee jaren was er voldoende vertrouwen bij de bank en heeft hij zijn achtergestelde lening aan zijn ouders terugbetaald. Robin is getrouwd met Paulien (56) en samen hebben ze drie dochters (27, 26, 23), onder wie geen opvolger, al heeft de middelste dochter een vriend die ook varkenshouder is. Hij werkt twee dagen per week op het bedrijf van Robin.
Eigen aanfok
Robin houdt nu ruim 400 TN70 zeugen met Tempo eindbeer en heeft eigen aanfok. In 2015 schakelde hij over van de TN20 naar de TN70 en besloot om eenmalig dertig zuivere Yorkgelten te kopen van vier weken gespeend tot dekrijp, zodat hij in één keer vol zat. “Dat was een moeilijk jaar met ziektes als PRRS. Toen móést ik wel de biggen enten om het allemaal weer rustig te krijgen. Nu ent ik alleen mijn fokgelten twee keer voordat ze de groep in gaan, maar verder ent ik niet meer tegen PRRS.”
Sinds 2019 krijgen de gelten opfokvoer in plaats van lacto. “Dat is beter voor de juiste spekdikte en het is nog goedkoper ook. Ik streef naar een spekdikte bij de gelt van vijftien millimeter wanneer ze worden gedekt. Daarvan kunnen ze heel veel cyclussen profiteren.” De zeugen gaan maximaal acht worpen mee en de meeste zeugen maken hun taak vol.
Rust
In 2012 is een nieuwe stal voor de dragende zeugen gebouwd in verband met verplichte groepshuisvesting. Toen kwamen er ook voerstations en een separatieruimte. Robin heeft een weeksysteem met één stabiele dynamische groep. De zeugen krijgen hun voer ’s avonds om zes uur (wintertijd) of zeven uur (zomertijd). De volgende ochtend staat 95 procent van de geplande zeugen in de separatieruimte.
“Dat geeft rust. De drie belangrijkste pijlers hier zijn rust, reinheid en regelmaat.” De ongedekte geltjes gaan met 200 dagen de groep in om te wennen aan het voersysteem en aan de hiërarchie. Na twee tot drie weken gaan ze de dekstal in. “Dit is een mooi extra selectiemoment, omdat geltjes op dat moment nog geleverd kunnen worden als vleesvarken. Ik heb veel dichte vloeren; in een dynamische groep heb je dan meer kans op klauwproblemen. Het liefst had ik de zeugen in het stro. Dat vind ik prachtig om te zien. Maar ik krijg het qua vergunning voor een luchtwasser niet rond.” De gespeende zeugen lopen eerst 24 uur los in de separatieruimte voordat ze naar de dekstal gaan. Dat geeft ruimte om de geïnsemineerde zeugen een dag extra in de dekstal te houden om nog iets van de berigheid te verliezen voordat ze weer in de groep gaan. Die extra wisselstap is de moeite waard, vindt Robin. Het geeft meer rust in de stal, ondanks dat er een nieuwe groep in de stal komt. Robin: “Die ene dag extra in de separatieruimte heeft in het afbigpercentage echt verschil gemaakt. Dat is al vijf jaar ruim boven de 90 procent. Het liefst zou ik de geltjes en de eersteworps zeugen in een apart groepje hebben in verband met de hiërarchie, maar dat is in deze stal niet mogelijk.”
Structuur
Robin is naar eigen zeggen chaotisch en daarom heeft hij zichzelf een super strak werkschema opgelegd. Niet alleen per week, ook per dag en zelfs per uur. “Hoe meer structuur, hoe constanter de resultaten.” De werkzaamheden zijn in vogelvlucht: op maandag het insemineren en eens per twee weken het enten; dinsdag om 6.30 uur biggen afleveren en drachtige zeugen scannen; woensdag om 10 uur spenen, “en níét ‘s middags!”; donderdag wisseling in de dekstal; vrijdag zeugen naar het kraamhok.
Robin heeft stabiele productiegegevens. De cijfers van het laatste halfjaar zijn: 94,1 procent afbigpercentage, 16,4 levendgeboren biggen, 0,6 doodgeboren, 14,5 gespeende big, met als resultaat 35,5 gespeende biggen per zeug per jaar. Dat komt, zegt hij, vooral dankzij het gestructureerde werken, daar is hij van overtuigd. Robin heeft één vaste afnemer voor al zijn biggen, inclusief de ‘bijvangst’ uit de fokkerij. “De wekelijks afzet van biggen is belangrijk in de structuur van het bedrijf. Groei en biggenkwaliteit is voor mij het allerbelangrijkste. Daarna komt een tijdje niks, en dan pas komen zaken als aantallen biggen.”
SINS
Het bedrijf van Robin doet mee aan een onderzoek van ABZ Diervoeding naar het effect van voeding op SINS (Swine Inflammation and Necrosis Syndrome). Het geboortegewicht en de biestkwaliteit worden bepaald en elke vier weken worden biggen beoordeeld op SINS-score. De eerste metingen zijn gedaan, maar deze resultaten zijn nog niet binnen.
ABZ Diervoeding levert al sinds begin jaren negentig het voer. Een korte tijd werkte Robin met een onafhankelijk nutritionist en wisselende voerleveranciers. Tot hij begin 2022 weer voor ABZ Diervoeding koos. “Ik wil graag een voorlichter die luistert naar wat ik wil en die samen met mij bekijkt hoe we dat optimaal kunnen uitvoeren. Bij ABZ Diervoeding blazen ze niet hoog van de toren maar ze doen het gewoon goed.”
Trots op
“Boer zijn vind ik een eretitel. Ik ben van heel ver gekomen en heb het bedrijf helemaal zelf opgebouwd. We zitten op een heel moeilijke plek voor ontwikkeling en moeten het doen met wat er kan. En dat is niet altijd wat je wilt. Een opkoopregeling? Ik ben vooral varkensboer en heb hier nog steeds liever een stal staan dan twee huizen. Ik zeg niet dat ik het niet doe, maar nu is het nog te vroeg. Boer zijn vind ik een eretitel. Ik ben van heel ver gekomen en heb het bedrijf helemaal zelf opgebouwd. We zitten op een heel moeilijke plek voor ontwikkeling en moeten het doen met wat er kan. En dat is niet altijd wat je wilt.“



